Doorborduren…

‘Als het maar legaal is, toch?’
Femke van der Laan

De middelste staat op de hoek van de straat. Voor de dierenwinkel. Als ze me ziet fietsen, aan de overkant, schiet haar hand de lucht in: hier is het. Ik steek over, zet mijn fiets op slot en loop naar haar toe. Ze grijnst. Een bekende grijns. Dezelfde grijns als aan het begin van de week toen ze aan me vroeg wat ze ook alweer allemaal mocht doen met haar kleedgeld. “Alles als het maar legaal is, toch?” Ik had geknikt, niet opgelet, was met andere dingen bezig, ja, alles als het maar legaal is, en zij had haar slag geslagen: “Dan koop ik een vis.”

Ik had naar haar grijns gekeken. Ik wilde zeggen dat dat niet de bedoeling was, een vis, maar tegelijkertijd voelde het ook als mijn eigen schuld. Ik had bij het vastleggen van de afspraken over zakgeld niets vermeld over huisdieren, geen levende-haveclausule opgenomen. Die maas had ze nu gevonden, zei haar grijns.

Ik maarde een tijdje. Daarna kwamen mijn mitsen. De middelste bestelde alvast een kom.

Vandaag zou ze de vis kopen. Ik schilde aardappelen toen ze de deur uitliep, de zak was nog niet leeg toen ze belde. Om een vis te mogen kopen, moest je volwassen zijn. Of ik even wilde komen, en snel ook, want over tien minuten ging de winkel dicht. Ik stapte ondanks mezelf op de fiets.

Op de toonbank ligt een zakje. Ik zie een oranje vis. Dat is hem, fluistert de middelste. Ik fluister terug dat het dus wel illegaal is, een vis kopen. Ze luistert niet.

“Dit is Kip.”

“Kip?”

“Ja, zo noem ik ‘m.”

“Kip.”

Ik wil nog een keer zeggen dat het illegaal is, in strijd met het eerste en enige artikel van het kleedgeldverdrag, maar ik wijs naar de bak met plantjes die aan het einde van de toonbank staat. “Die heb je ook nodig.”

Buiten duwt de middelste het zakje in mijn handen en vraagt of ik hem alvast mee kan nemen. Zij heeft nog dingen te doen. Even later fiets ik terug naar huis met in mijn hand een zakje met een vis. Ik vloek zachtjes voor me uit.

Bij het verkeerslicht kijkt een vrouw naar mijn hand. “Ah, een vis,” zegt ze. Ze klinkt bijna ontroerd. Of niet eens bijna. Ik kijk ook naar mijn hand. Naar het zakje. Het is Kip, wil ik nog zeggen, maar de vrouw steekt al over. Daarna mag ik verder fietsen.

Als ik thuiskom, leg ik het zakje op het aanrecht. Vanachter het plastic kijkt Kip toe hoe ik de laatste aardappelen schil.

. . .

“Als ik geen zin heb om te koken
loop ik even naar de markt.
Voor een moot gebakken vis”

Daar moest ik aan denken
bij het lezen van de column
in Het Parool van Femke van der Laan.
Een vrouw op een e-bike die half op
de trambaan door weer en wind worstelt
en aan ieder handvat een zakje water
met zich meedraagt. De ene gevuld met wat groente, het dwarrelt, dus het zal wel verlepte peterselie zijn. De ander gevuld met iets oranjes een wortel wellicht. Ze woont vast alleen, want heeft aan één worteltje
blijkbaar genoeg.
Niet wetende dat ze thuis verder gaat
met het koken van een Hollands potje.
De zakjes zijn voor haar dochter…
die komt straks met een kom
… als dat maar heelhuids aankomt
overigens en vast nog zonder water,
anders is het te zwaar trap-opwaarts.
Het zal mij benieuwen op dat dan
kraanwater wordt met wat lood
op water uit de gracht, net zo bruin
als water uit de sloot.
Blijkt dat beestje Kip te heten, wat eet
zo’n beestje dan?
Voer uit een plastic potje of toch wat kip, klein gesneden op een porseleinen bordje
met zilveren bestek?
Bestaat er een eetkamertafel met
één stoel voor in een kom?
Voor in een liedje is dat zo verzonnen.

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s